Lillooet, ook wel liefkozend "het kleine goudklompje van British Columbia" genoemd, vormt het regionale centrum van de streek en telt een bevolking van ongeveer 5.000 inwoners. De allereerste bewoners waren jager-verzamelaars en zelfvoorzienende vissers, die in perfecte harmonie met de seizoenen leefden. De legendarische ontdekkingsreiziger Simon Fraser arriveerde hier op 30 juni 1808 na een uiterst moeizame en gevaarlijke reis over de ongetemde rivier die later zijn naam zou dragen. Afgezien van incidentele bezoeken van eenzame pelsjagers bleef het in de regio rond Lillooet echter lange tijd rustig, tot de massale en plotselinge komst van goudzoekers in 1858 de streek voorgoed veranderde.
Oorspronkelijk droeg de nederzetting de naam Cayoosh Flat, een verwijzing naar de uitstekende, malse weidegronden waar de cayuses (de inheemse pony's van de indianen) dol op waren. In 1861 doopte gouverneur James Douglas de plaats formeel om tot Lillooet, hoewel men het destijds met de exacte spelling en geografie nog niet zo nauw nam. De naam "Lillooet" is in feite een verbastering van het inheemse woord *LEEL-wat*, dat verwijst naar de indianenstammen uit de regio rond Mont Currie. In de hoogtijdagen van de jaren 1860 groeide Lillooet verrassend genoeg uit tot de op één na grootste nederzetting ten noorden van San Francisco en ten westen van Chicago. Gelegen aan 'Mile 0' van de beroemde Cariboo Road, heerste er met 16.000 inwoners, 13 ruige saloons en maar liefst 25 drankgelegenheden een hard, wetteloos en uiterst bruisend pioniersleven.
Hoewel de meeste goudzoekers de stad na verloop van tijd weer verlieten voor nieuwe, veelbelovende gebieden zoals de Klondike, wist Lillooet wonderwel te overleven. In de jaren 1890 kregen de achterblijvers hernieuwde hoop toen er in de Golden Cache-mijn voor miljoenen dollars aan puur goud werd gedolven. Lillooet beleefde vervolgens een nieuwe economische bloeiperiode dankzij de aansluiting op het spoorwegnetwerk in 1912 en de ontdekking van rijke goudaders in de nabijgelegen Bridge River.
De diverse boom- en plantensoorten in deze regio veranderen opvallend naarmate de hoogte en de blootstelling aan de brandende zon toenemen. Op de lagere niveaus bepalen met name de ponderosaden en de douglasspar het gezicht van het landschap. Klim je echter hoger de bergen in, dan maken deze bomen geleidelijk plaats voor de draaiden (lodgepole pine), de engelmannspar en de subalpiene zilverspar. De bossen in de wijde omtrek bestaan dan ook hoofdzakelijk uit dennen, sparren, balsemsparren en douglassparren. In de vochtigere zones die wat dichter bij de kust liggen, gedijen daarnaast ook reuzenlevensbomen (ceders) en hemlocksparren uitstekend.
De trotse stam van de St'at'imc
Het traditionele leefgebied van de St'at'imc-natie beslaat een oppervlakte van ongeveer 100 vierkante mijl en strekt zich uit van Pavilion in het noorden tot Port Douglas in het zuiden. Zij bewonen deze ruige streek al meer dan 9.000 jaar, waarbij de Upper St'at'imc zich voornamelijk in het noordelijke deel vestigden, rondom het Anderson Lake. De stam bestond oorspronkelijk uit verschillende hechte familiegemeenschappen die dezelfde taal, cultuur, natuurlijke hulpbronnen en handelsroutes deelden. Hun traditionele economie was volledig gebaseerd op de jacht, de visserij, het verzamelen van wilde planten en onderlinge diensten. Als seminomaden trokken ze in de lente, zomer en herfst naar die specifieke plekken waar het voedselaanbod op dat moment het grootst was.
Vóór de komst van de blanke kolonisten lieten de St'at'imc zich leiden door ervaren stamhoofden. Deze leiders beschikten over de specifieke kennis, vaardigheden en spirituele kwaliteiten die essentieel waren voor het pure overleven van de stam. Belangrijke beslissingen werden altijd genomen op basis van consensus, waarbij het algemeen welzijn vooropstond. De St'at'imc stonden bekend om hun grote vrijgevigheid, spiritualiteit, productiviteit en vreedzame aard, al verdedigden ze hun territorium en eer met ongekende moed wanneer ze werden aangevallen door naburige stammen. Ondanks alle historische tegenslagen hebben de taal en cultuur van de St'at'imc de eeuwen glansrijk doorstaan, en huidige én toekomstige generaties blijven zich onvermoeibaar inzetten om dit unieke erfgoed levend te houden.
De Boom van de Gehangenen
Deze eeuwenoude ponderosaden deed meer dan honderd jaar geleden dienst als officiële galg voor de lokale rechtshandhavers. In die turbulente pionierstijd werd de wet hier met ijzeren vuist vertegenwoordigd door de beruchte rechter Sir Matthew Begbie, die in de volksmond beter bekendstond als "the hanging judge" (de ophangrechter). Twee dieven werden hier ooit gelijktijdig opgehangen en direct aan de voet van de boom begraven. In 1859 schreef rechter Begbie over de nederzetting: *“Lillooet is een buitengewoon welvarende plaats, schitterend gelegen aan de oevers van de Fraser River.”*
Lillooet, British Columbia, Canada - Kaart 