Från La Bastide till Bleymard med Eric Poindron Von La Bastide nach Bleymard mit Eric Poindron De La Bastide a Bleymard con Eric Poindron Da La Bastide a Bleymard con Eric Poindron Από τη La Bastide προς τον Bleymard με τον Eric Poindron Fra La Bastide til Bleymard med Eric Poindron

Van La Bastide naar Bleymard met Eric Poindron

La Bastidesta Bleymardiin Eric Poindronin kanssa Fra La Bastide til Bleymard med Eric Poindron From La Bastide to Bleymard with Eric Poindron 从La Bastide到Bleymard与Eric Poindron От La Bastide до Bleymard с Eric Poindron De La Bastide au Bleymard avec Eric Poindron
Chasseradès L'Etoile Maison d'hôtes bevindt zich in La Bastide-Puylaurent tussen de Lozère, de Ardèche en de Cevennen in de bergen van Zuid-Frankrijk.

In de richting van Chasseradès – een tiental kilometer rails, enkelspoor – volgen we de Allier. Ingesloten tussen de rivier en de dwarsliggers van de spoorbaan komt de escorte weer in beweging. Een weg die doet denken aan het Hoge Noorden: hoge dennen, een snijdende wind en het geluid van voetstappen in het bos. Geroep ook, dat klinkt als gezang. Het witte licht overbelicht het decor en probeert het te vervormen. Vanaf hier zou het overal kunnen zijn... Waar zijn we, in welk 'elders'? Misschien in Alaska... Witte werelden moeten zo zijn... Dit is er het land niet naar, noch het seizoen, en toch lijkt het licht op sneeuw. De geest van de wildernis, de roep van de natuur in de koude ochtend. De aarde is hard, bevroren, en de braakliggende velden lijken wel met sneeuw bedekt. Ik hoor het gefluister van de ondergrond, de wind die onder mijn schoenen giert. Het rommelt, alles is wit. De geest proberen te vangen. We moeten verder, ondanks kramp, rouw en twijfel.

Philippe Papadimitriou

« Californië, vlakbij Oregon bij Eagle Creek... De eerste goudklompjes van 1,5 bij 2 cm leverden me 1.500 euro op. Goudkoorts geeft je een ongelooflijke kracht. Ik bevond me te midden van oude Vietnamveteranen die me als een broekie zagen. Ze wachten eerst af om te zien wat je waard bent. Op een avond rookte ik een joint van de marihuana die ze verbouwden en dronk ik een fles wervodka leeg. Ik was straalbezopen, helemaal naakt, en ging de rivier in om goudklompjes te zoeken... »

« Met Sint-Jan joegen we op beren. De hippies, de goudzoekers en kinderen van een jaar of acht, negen reden naakt op paarden, als indianen. Daarna ben ik nog verder afgegleden; ik werd gek... » Dit zijn de woorden van Philippe, de eigenaar van pension L'Etoile, de Griek uit La Bastide-Puylaurent en een achterneef van Jack London. Hij heeft een groot deel van de nacht doorgebracht met ons te vertellen dat de twintigste eeuw er nog steeds uit kon zien als het cabaret van de Laatste Kans. De vervloekte kroeg van Jack London. De Belg spreekt als een schrijver. « Verdomme, kom in beweging! » Dat is dan ook precies wat we doen... Eagle Creek...

Alsof ik door het Hoge Noorden van de Cevennen liep. Wanneer men hardop droomt. Vertrekken, gewoon vertrekken. Het Noorden, de witte wereld, de witte werelden. De Grizzly van James Oliver Curwood, in de 'Groene Bibliotheek', was mijn allereerste leeservaring, mijn eerste Hoge Noorden. Om me heen, in de ingebeelde sneeuwstorm, dwalen geesten van goudzoekers, beschilderde krijgers en onzichtbare beren. Na meerdere dagen in de Gévaudan hebben we nog steeds geen wolven gezien. In mijn verbeelding is het beest een witte, ongrijpbare wolf geworden die ons achtervolgt, terwijl wij pelsjagers zijn te midden van verlaten mijnen. Wie hieraan twijfelt, moet het zelf maar eens proberen, op vijftien dagreizen verwijderd van de steden... Dan zal hij het begrijpen.

Stevensonpad

Sjamanistische rookflarden, en de grond lijkt besneeuwd, net als het land van de Klondike. Grote dennen op de helling, hoge sparren en hier en daar het geluid van houthakkers die het bos plunderen... Ik hoor de tunnel, de lynx, en als een echo hoor ik de Gévaudan en zijn klaagzang. Ik verschuif de breedte- en lengtegraden. Boodschappen gedragen door de adem van de wind. Ik begin aan de hereniging van de continenten. Voetstappen weerklinken als het luiden van een bel in de mist. Mijn hart slaat sneller, mijn adem ruikt naar zeewier en buskruit. Op dit dorre veld, wit van de stilte en gedroomde sneeuw, stel ik me voor dat dit misschien wel Patagonië is. Tussen goedkope clichés, verplicht prikkeldraad en luchtspiegelingen. Probeer het maar eens... Zodra we beginnen te wandelen, maken we een reis om de wereld. Of toch bijna...

Langs de spoorlijn die van Mende naar Montpellier loopt, via La Bastide-Puylaurent, Villefort, Génolhac, Chamborigaud, Alès en Nîmes, zijn veel kleine stations spookstations geworden. Soms worden ze omgedoopt tot simpele SNCF-haltes. Ondanks deze vernedering behouden ze hun vroegere uitstraling en dragen ze, bij gebrek aan een stationschef, nog steeds fier hun hoge dak, elegant als de parasols van weleer. Hier volstaat het, net als in Afrika of Zuid-Amerika, om je arm op te steken om een trein te laten stoppen... Bij een volgende halte zullen onverschillige mensen uitstappen onder de strakke en wrokloze blik van de oude stationsgebouwen. Stations met pensioen...

Viaduct van Mirandol

Te voet, weer langs de spoorlijn, zonder trein of trompetgeschal. Jammer, want wie reist zonder ezel of zonder de 'status van ezel' zou zomaar zijn arm kunnen opsteken om een stukje mee te rijden over het spoor. La Bastide-Puylaurent - Chasseradès - Belvezet - Allenc - Mende en Marvejols... Daar kruipt de trein langzaam voort en zet de wandelaars af aan de voet van de Mont Lozère. Het viaduct van Mirandol roept herinneringen op aan sepiakleurige beelden, uit de tijd dat de treinen nog werden getrokken door twee enorme locomotieven die hun rook uitbraakten voor de neus van onbezorgde koeien – zoals op de beloningsplaatjes van school. Toch hoor ik vandaag onder het imposante viaduct alleen de echo van de hoeven van Noé en het zachte gefluister van het kleine riviertje de Chassezac. Het is grijs en koud, maar onze tred blijft die van een vagebond. En áls we al luchtspiegelingen zien, zweven ze hoog boven onze hoofden. Wij lopen langzaam; zíj hebben de vleugels van reuzen.

In het gehucht L'Estampe staat een grootmoeder, sterker dan een kerel, al sinds het ochtendgloren hout te hakken. Ze trekt in haar eentje de kruiwagen, laadt hem hijgend uit en stapelt vervolgens de houtblokken op tot muurhoge stapels, met het geduld van iemand die kaartenhuizen bouwt. Om de winter beter het hoofd te kunnen bieden, wacht men hem hier met opgestroopte mouwen op. Ze biedt ons even gastvrijheid aan voor een kop koffie en vertelt haar verhaal, zonder te klagen of in zelfmedelijden te vervallen. Van de zeven inwoners die het gehucht telt, zijn er vijf ouder dan vijfentachtig jaar. Hier, in deze ruige uithoek van de Gévaudan, is het geen uitzondering dat een boer een gezin met drie kinderen onderhoudt op de rug – of liever gezegd, de melk – van dertig schamele koeien.

Vanuit de berg Goulet

De reis – maken wij die, of neemt de reis ons op sleeptouw? Ik ben niet de eerste die zich dit afvraagt. Van Nikos Kavvadias tot Nicolas Bouvier: niemand, zeevaarder noch schrijver, heeft hier een pasklaar antwoord op. Ik voel met deze vrouw uit het gehucht mee en neem afscheid zonder haar iets te geven, terwijl zíj mij de ingrediënten en de kruiden voor mijn kleine kronieken heeft geschonken. Dus brengt mijn pen, krassend over het logboek, een eerbetoon aan haar. Ik ben het niet die de reis maakt: deze vrouw en al die anderen dragen de reis. We denken de weg te beheersen, maar blijven slechts zijn gijzelaars.

De berg de Goulet trotseren we met moed. We komen nauwelijks vooruit; de berg speelt met ons. Veertienhonderd meter hoogte stelt niets voor voor een ezel, het is slechts een stip op de kaart, maar voor kinderbenen is het een zware les in nederigheid. Diep in het staatsbos drukt de bewolkte lucht zwaar op de jonge naaldbomen. Af en toe breekt de zon door de wolken en kleurt de bomen prachtig groen en zilver. De grond is bedekt met glinsterend kwarts; je zou zweren dat er waterbronnen ontspringen. De wind door de bomen klinkt als een Keltische harp en zelfs het kleinste grassprietje begint te zingen: een magisch woud, net als dat van Brocéliande.

Op de top, in het hart van de stilte en de mist, wordt de rust bijna een ascese. Tussen de naaldbomen en het herfstige struikgewas, dat zo aan Schotland doet denken, moeten zich haast wel feeën schuilhouden. Geen mens te bekennen en geen enkel spoor van beschaving, op het smalle weggetje en de oude kilometerpaaltjes na. Om ons heen: heide, distels en wilde bramen. Rustig zetten we onze weg voort in de richting van Bleymard, het dorp dat de schakel vormt tussen de berg de Goulet en de Mont Lozère. Langzaam, heel langzaam, is onze afdaling die deels de rivier de Lot volgt een en al vreugde en rust.
Fragment uit "Belles Étoiles" (Mooie Sterren) Met Stevenson in de Cevennen, collectie Gulliver, onder leiding van Michel Le Bris, Flammarion.