Als we Pradelles achter ons laten, dalen we af naar de vallei van de Allier en de Langouyrou. Beneden onthult het heldere licht van de vroege namiddag Langogne, de historische hoofdstad van Gévaudan. Een kompas of stafkaart is niet nodig; we hoeven ons slechts in een rechte lijn naar onze bestemming te laten glijden. We twijfelen tussen de verharde weg en de slingerende, afgelegen paden, maar Noée hakt de knoop door. Zij weigert pertinent de weg te delen met ronkende auto's. Hogerop, op de hellingen waar het autoverkeer zich verdringt, vormen naaldbomen een schrale vegetatie. Enkele kale sparren staan nog rechtop en strekken hun vele armen uit, alsof ze eventuele wilde beesten willen verjagen – geheel in de geest van Stevenson, die destijds schreef over wolven en monsters. Dus volgen we de rivier.
Na dit metaforische bloedbad wordt ons avontuur nu getrakteerd op een heerlijk zonnebad. Eén van mijn benen doet pijn, maar loop naar de pomp. De lange tocht verandert langzaam in een uitputtingsslag. Het is een moedig pad, waar doodlopende wegen simpelweg niet bestaan. Ondanks de pijntjes blijft de stemming opperbest. Het beekje murmelt als een zacht klokkenspel en nodigt uit tot een boswandeling vol levensgenieters. Als we wandelen, banen we dan een weg of ontcijferen we er een?...
Over woeste gronden en cijfers gesproken: na de Tweede Wereldoorlog kwamen Roger Beaumont en zijn vrouw Mireille op het idee om Frankrijk te markeren met rode en witte verf. Er bestond destijds slechts honderdvijftig kilometer aan geregistreerde paden, voornamelijk langs de Loire. Dit rustige en vriendelijke echtpaar zou, in hun eigen tempo en gedurende bijna een heel leven, vijftienduizend kilometer aan wilde paden markeren. Dit zijn de beroemde GR-routes (Grandes Randonnées).
Corsica te voet – de befaamde GR®20, de zwaarste van allemaal; de Alpen en de Tour du Mont Blanc, Chamonix-Menton, de Pyreneeën van de Atlantische Oceaan tot de Middellandse Zee. Sindsdien hebben andere toegewijde zielen het stokje overgenomen, andere verliefde koppels, en vandaag de dag ligt er veertigduizend kilometer aan paden klaar voor degenen die een toevluchtsoord zoeken, ver weg van de hectiek van alledag. Een hartelijke groet aan deze twee onvermoeibare dromers, Arthur en Zoé van de rotsachtige paden. Vanmiddag ruikt de herfst verrukkelijk en de laatste zonnestralen verwarmen mijn nek en kruin.
Ik vergeet al mijn verplichtingen; ik ben een origami-figuurtje, een wilde eend, een papieren bootje – een flaneur die Langogne nadert. Binnen enkele minuten zal mijn rivier uitmonden in de Allier en blijft enkel de herinnering over aan een zonnige, volstrekt ongecompliceerde zwerftocht.
In het hart van Gévaudan
De eerste geluiden van de beschaving bereiken ons als we de stad naderen. We rijden Lozère binnen. Op de brug wijst een tankwagen, met het Beest van Gévaudan op de tank geschilderd, ons de weg. Dat is overigens de enige aanwijzing... De weg is nu het domein van automobilisten die driftig toeteren. Eén van hen roept zelfs uit het raam: "Rot op!" De oude brug die Stevenson destijds overstak, bestaat niet meer. Hier ontmoette hij een brutaal jong meisje. Vandaag de dag zou zo'n onbeleefd kind onmiddellijk worden omvergereden door deze idioten op wielen. In een eeuw tijd hebben de oude stenen plaatsgemaakt voor asfalt en de bijbehorende slechte manieren. Bij aankomst bespeuren we geen enkele vrouwelijke aanwezigheid. Sinds het begin van onze reis hebben we trouwens amper de blik van een vrouw gekruist. Hier, net als elders, moeten de schone jonkvrouwen wel zijn verslonden door het beroemde beest...
Tegenover de 18e-eeuwse markthal – de trots van de stad dankzij de status van 'historisch monument' – vullen we onze rugzakken voor het avondeten. We hebben de kaas van vanmorgen nog niet aangeraakt en combineren die nu met een klein mandje fijne vleeswaren. De knorrige slager verkoopt ons zijn waren met zichtbare tegenzin. Het is onmogelijk om hem ook maar één aanbeveling te ontfutselen. Hij is worstenverkoper, gromt hij, geen VVV-kantoor. Ondanks de onmiskenbare architectonische kwaliteiten weet Langogne zijn gasten nauwelijks vast te houden. In deze troosteloze vallei lijkt de bevolking zonder aanwijsbare reden ontevreden. Mensen verlaten gehaast hun kantoren en haasten zich naar huis; het is de hoogste tijd voor pantoffels en warme soep.
We dwalen door het centrum, op zoek naar een 'Uitgang'-bord. In de plaatselijke bioscoop draaien, zoals overal, Amerikaanse films. Schreeuwerige posters, gigantische pistolen en namen van acteurs in koeienletters. Onder de affiches hangen jongeren op hun brommers, en iedereen heeft wel wat te zeggen. "Ik haat acteurs." Dat is ironisch genoeg de titel van een van de films. Net als elders hebben boeren plaatsgemaakt voor gestreste kantoormedewerkers. De charmante 19e-eeuwse stad, die op de glanzende welkomstborden aan de rand van de gemeente nog zo werd geprezen, voelt nu wel heel ver weg.
Tot aan de industriële revolutie was Langogne een uiterst welvarende stad. Er werden runderen en schapen gefokt. Men leefde – en leeft deels nog steeds – van de veeteelt. Tijdens de industrialisatie was de strijd hevig, en later uiterst ongelijk, tegen zuidelijke steden als Nîmes en Alès. Stukje bij beetje vervaagden de bruisende handelsactiviteiten en de grote veemarkten tot een verre herinnering. De mijnen sloten hun deuren en Langogne klampte zich wanhopig vast aan zijn magere inkomsten.
Tegenwoordig leeft men van het toerisme, en paradoxaal genoeg heeft de mislukte industriële revolutie de natuur, met haar bomen en rivieren, veel goed gedaan. Hier is de vervuiling minimaal, haast onbestaande. Het water is kristalhelder, iets wat Noée, die het geproefd heeft, kan beamen. Het zomerseizoen is voorbij; we zijn de allerlaatste nomaden van het jaar en niemand is echt bereid ons de weg te wijzen. Ze proberen ons in ieder geval niet tegen te houden. Ook vannacht zullen we weer in het gras slapen en de wolken tellen...
Vlak voordat we de stad ontvluchten, koop ik het boek Het Beest van Gévaudan, een groot mysterie uit de geschiedenis, van abt Félix Buffière. Ik blijf lang in de boekhandel hangen. Boeken over de 'Rode Herberg' en de bijbehorende verslagen beslaan meters aan planken. De boekhandelaar prijst ze warm aan, maar ik twijfel. Wil ik mezelf vanavond, diep in het donkere bos, de stuipen op het lijf jagen met enkel het licht van een zaklamp? Precies zoals we vroeger als kinderen genoten van griezelverhalen... In De Bijbel van de Uil, een verzameling verhalen en legendes uit de tijd van strenge winters, geeft Henri Gougaud een heerlijk macabere versie van de bloederige herberg. In 'De herberg van La Guette' is de moordenaar 'een onverzorgde, smerige ogerin, geholpen door haar twee zonen, die net zo gemeen zijn als de katten van de Duivel'.
In Pradelles dacht ik er nauwelijks aan terwijl ik naar de gebochelde man luisterde, maar nu komt het verhaal in alle hevigheid in me op. En daarmee ook andere legendes: 'De spookwolven van Cronthal' en 'De zeven heksen'. Ik zet mijn rugzak neer en ga bij het vuur zitten, terwijl de geur van kaneel en glühwein mijn neusgaten vult. Ergens tussen Gévaudan en de Karpaten. Het zijn precies deze sprookjes en waanzinnige verhalen die me ooit mijn verstand deden verliezen. Ik las ze in afzondering, en Transsylvanië was lange tijd mijn geheime toevluchtsoord. Daar lieten ze me tenminste met rust. Door Eric Poindron, fragment uit "Belles étoiles" Met Stevenson in de Cevennen, collectie Gulliver, onder leiding van Michel Le Bris, Flammarion.
De herder van de bergen en de wandelaars
In een klein gehucht tussen Pradelles en Langogne woonde een jonge man genaamd Lucien. Hij was de herder die waakte over de koeien van de familieboerderij, een taak die hij met ongekende passie en toewijding vervulde. Elke ochtend, ruim voordat de zon opkwam, verliet Lucien zijn oude stenen huisje. Met zijn herdersstaf in de hand riep hij de koeien met zachte stem, en ze verzamelden zich snel om hem heen. Zijn hond, Gaston, leidde de kudde naar de weelderige, groene weiden, waar het gras mals was en de beekjes oeroude geheimen fluisterden. Lucien hield van deze eenzame, stille momenten met zijn dieren. Hij vertelde ze verhalen, alsof hij hun vredige blikken kon lezen. Hij sprak over de sterren aan de hemel, het wisselen van de seizoenen en de wandelaars die het Stevensonpad bewandelden. De koeien leken aandachtig te luisteren, en hun grote bruine ogen weerspiegelden de tijdloze wijsheid van de bergen.
Op een dag, toen Lucien de kudde naar een zonovergoten weide leidde, zag hij in de verte enkele silhouetten. Het waren wandelaars, zwaarbeladen met rugzakken en leunend op hun wandelstokken, die het Stevensonpad volgden. Ze zagen er vermoeid maar oprecht gelukkig uit; hun gezichten straalden bij het zien van het adembenemende landschap. Lucien begroette hen hartelijk. "Hallo!" riep hij. "Jullie volgen het Stevensonpad, nietwaar?" De wandelaars knikten. Een van hen, een vrouw met kopergrijs haar, glimlachte vriendelijk naar hem. "Ja, we lopen al dagen door bergen en valleien. Het is hier werkelijk schitterend!" Lucien knikte begrijpend. "De koeien houden ook van deze heuvels," zei hij. "Ze kennen elk pad en elke verborgen hoek. Zij zijn de ware hoeders van de geheimen van deze bergen." De wandelaars lachten hartelijk. "En jij, jongeman, wat is jouw geheim?" vroeg een bebaarde man. Lucien aarzelde even en glimlachte toen. "Mijn geheim is dat ik met de koeien praat," bekende hij. "Zij vertellen mij verhalen, en ik luister. Samen waken we over dit land."
De wandelaars wisselden veelbetekenende blikken uit. "Vertel ons dan ook een verhaal," drong de kopergrijze vrouw aan. En Lucien begon te vertellen. Hij sprak over de sterren die 's nachts de wacht hielden over de herders, over oeroude legendes en over het angstaanjagende Beest van Gévaudan, dat ooit door deze bergen had gezworven. De wandelaars luisterden ademloos, terwijl de koeien rustig verder graasden. Vanaf die dag werd Lucien de onofficiële verhalenverteller van de bergen. Wandelaars pauzeerden vaak in de buurt van zijn boerderij om naar zijn verhalen te luisteren en een maaltijd met hem te delen. En de koeien leken het allemaal goed te keuren; het zachte geluid van hun bellen klonk in perfecte harmonie met de verhalen van de jonge herder. Zo vond Lucien, tussen de stevige voetstappen van de wandelaars en de zachte blikken van zijn koeien, zijn plek in deze majestueuze landschappen die zich uitstrekken van de Haute-Loire tot de Lozère, daar waar mythen en werkelijkheid naadloos in elkaar overgaan. Op deze manier smeedde de jonge Lucien, hoeder van koeien en stem van de bergen, een onbreekbare band tussen de wandelaars van het Stevensonpad en de oeroude geheimen van de bergen van de Lozère.











